indompeling

 

wij duwen aardkluiten opzij
kruipen traag uit de warmte
groeien houterig voorbij knop en stam

wij willen een loodlijn zijn

 

onze handen strooien schaduw op de bodem

 

zand in kinderschoenen

in kleine emmers met ijzeren katrollen 

tillen, ik verplaats vol overgave 

een berg, wil een groot architect zijn

ik hark in drukletters mijn naam

het zand kleeft aan mijn dartelende handen

 

het zand verraadt mij

wil ik iets verbergen? 

ik laat per ongeluk een touw schieten, struikel 

over schoenen, raak verstrikt en blijf 

haken

 

ik laat los op het eerste onbewaakte ogenblik, resten aarde 

vallen af als kinderkleren
mijn wortels zweven naakt boven de duinen

ik wil iets verbergen (zeg het in mijn mond)

mijn schoenen staan nu nog versteend in stuivend zand

ik ben uit mijn hoeksteen ontsnapt

 

wij willen de adem van een ijsberg doven

wij willen meanders temmen in de tuin

wij willen rivieren strekken tot een rechte 

waar water amper plaats heeft om te rimpelen

 

wij willen met duim en wijsvinger slangen melken 

tot onze voeten verkleumd weken in gif

 

onze handen zijn niet de onze

wij gebruiken verlengstukken, scheppen zelf een wereld 

bovenop de oude, willen niet meer naar het landschap kijken

willen tot diep in de binnenzijde kerven, veranderen

als dansende serpenten die vervellen

naakt achterblijven
 

in een zee van mensen 

ligt de hoeksteen bedolven onder zand

elke golfslag kaatst het sein terug

tot schuim bij hoogtij alles overspoelt

ik laat het zand achter, als een opgerold lichaam, een hart

wacht ik, hoop kieuwen te vinden

 

ik ben in de rivier gaan zwijgen, voor achterblijvers zal de tijd van lijm zijn

het krioelende ziet mij 

als een grote vis van weinig woorden

klunzige vinnen bouwen mij in de stroming een nest

ik wacht op andere reizigers

 

dompel mij in

dompel mij steeds verder in, dompel mij in schaduw en zand

in gif en water, dompel mij in zand en schuim

tot ik weer handen zie